
De weerstanden gebruiken of een reeks geschilderde banden of geschreven etiketten om weerstandswaarden te specificeren. Andere dingen die op het etiket kunnen zijn omvatten tolerantie (de percentageonzekerheid tussen de geëtiketteerde weerstand en de daadwerkelijke weerstand), een (niet gemeenschappelijke) classificatie van de temperatuurcoëfficiënt, en een classificatie van het betrouwbaarheidsniveau (betrouwbaarheid dat de weerstand zijn tolerantie over een 1000 uurcyclus zal handhaven). U kunt hier vinden sommige vandaag gebruikte markeringen:
Componenten



Een potentiometer (ook wel potmeter genoemd) is een variabele weerstand, waarvan de weerstand wordt bepaald door de stand van een mechanisch beweegbare component. Men onderscheidt tussen de schuifpotentiometer, waarvan de weerstandswaarde varieert als men een onderdeel ervan verschuift, en de 'gewone' draaipotentiometer, waarbij dit gebeurt door aan een onderdeel ervan te draaien. In deze vorm verplaatst een contactpunt, de slede, zich over een vaste weerstand. Beide einden van de weerstand evenals de slede hebben een elektrisch contact.
De transistor is op 17 november 1947 uitgevonden door John Bardeen, Walter Brattain en William Shockley, die daarvoor in 1956 de Nobelprijs voor natuurkunde kregen. De naam transistor is volgens een technisch memorandum van Bell Labs uit 1948 een samentrekking van de Engelse woorden "transfer", of "transconductance", (overdracht) en "varistor" (variabele weerstand, variable resistor), bedacht door John R. Pierce een collega van Bardeen die sciencefiction boeken schreef (Bardeen ca. 1965, priv. comm.) Volgens Pierce zelf is de naam een verkorting van de term "transresistance", de pendant van "transconductance" van elektronenbuizen, en in lijn met termen als varistor, resistor en thermistor.
De kleur van het opgewekte licht is afhankelijk van de aard van de materialen waaruit de led is opgebouwd, meer specifiek de breedte van de verboden zone tussen de valentieband en de geleidingsband. Dit verklaart ook waardoor een led met een lange golflengte een lagere doorlaatspanning heeft dan een met een korte golflengte, bijvoorbeeld rood 1,5 V en blauw 3,6 V. Doordat de spanning over de led ook een beetje stijgt bij een grotere stroom zal de kleur iets naar een kortere golflengte opschuiven, een blauwe led zal bij lage stroom meer groenig schijnen en een rode led wordt (heel even) geel bij zoveel stroom dat hij stuk gaat.

